Header website 2024
Samen houden wij de markante
staatsmannen en broers
Johan en Cornelis de Witt in ere

De genomineerde scripties 2026

De jury van de Uitgeverij Verloren/Johan de Witt-scriptieprijs voor geschiedenis heeft dit jaar drie scripties genomineerd uit de elf ingediende scripties. De prijs wordt in samenwerking met Uitgeverij Verloren en EW Magazine voor de twaalfde keer uitgereikt. 

De jury maakt de winnaar bekend op zaterdagmiddag 7 februari 2026 tijdens een bijeenkomst van de historische vereniging Vrienden van De Witt. Plaats: Uitgeverij Verloren, Torenlaan 25 in Hilversum. Inloop 14:00 uur, aanvang 14:30 uur, na afloop is er een borrel met eindtijd 17:30 uur. Deze feestelijke middag is gratis toegankelijk voor genodigden en belangstellenden. 

Programma

De drie genomineerden zullen worden geïnterviewd. Uitgeverij Verloren zal ingaan op recente historische publicaties. Valentijn Tilder deelt zijn ervaringen na het winnen van de scriptieprijs vorig jaar. 

Prijzenpakket

De scripties dienen betrekking te hebben op de Republiek der Nederlanden in de 17e eeuw. De prijs voor de beste scriptie bestaat uit een bedrag van € 1.500,-, een boekenpakket en een jaarabonnement op EW Magazine. De aanmoedigingsprijs voor de beste bachelorscriptie wordt beloond met een bedrag van € 200,-. EW publiceert over de winnende scriptie evenals de vereniging Vrienden van De Witt. 

De drie genomineerde scripties 

De rol van gedrukte formulieren en instructies binnen de maritieme handel van de Republiek in de 17e eeuw staat centraal in de scriptie van Demi van Breukelen (‘Sea of Print’, Universiteit Utrecht).

De uitvinding van de boekdrukkunst in de 15e eeuw had een groot effect op de verspreiding van nieuws in het vroegmoderne Europa. Het succes van de Reformatie wordt voor een belangrijk deel aan de boekdrukkunst gekoppeld. De opkomst van periodieke nieuwsoverzichten, de voorlopers van de huidige kranten, zorgde ervoor dat de burgers zich beter konden informeren over de ontwikkelingen binnen Europa. Het drukken zorgde er ook voor dat instructies en formulieren goedkoper en op een grotere schaal konden worden geproduceerd en daardoor een grotere rol binnen het dagelijkse leven gingen spelen.

Deze scriptie onderzoekt het effect van gedrukte formulieren/instructies op de ontwikkeling van de maritieme handel in de Republiek gedurende de 17e eeuw. Hierbij wordt met name gekeken naar de documenten die in de dagelijkse praktijk werden gebruikt. De auteur onderzoekt de reden van het gebruik, waar ze werden gebruikt en de fysieke karakteristieken van de documenten. Deze onderzoeksvragen worden uitgezocht aan de hand van twee casestudies: een handelsschip en een VOC-schip. Het onderzoek toont aan dat gedrukte formulieren in de 17e eeuw een fundamentele rol hadden in de ontwikkeling van de scheepvaart, doordat zij administratie en instructie met elkaar verbonden. Deze documenten boden de overheid instrumenten om de maritieme handel te controleren. Naarmate die handel belangrijker werd als inkomstenbron, ging dat gepaard met een toenemende bureaucratisering van de sector. Scriptiebegeleider: dr. R. Calis

De VOC en de mondiale dimensie van de vroegmoderne diplomatie staan centraal in de scriptie van Krijn Korsman (‘Peper uit Banten’, Universiteit van Amsterdam).

Na de vrede van Munster (1648) groeide het diplomatieke verkeer tussen de Europese Staten. Deze diplomatie was erop gericht om de contacten tussen de Staten beter te reguleren en de nationale belangen te verdedigen. Die waren in de periode 1650-1700 met name gericht op territoriale kwesties en handelsbelangen. In dezelfde periode raakte Europa ook steeds meer betrokken bij kwesties die zich buiten het continent voordeden, waarbij vooral handelsorganisaties zoals de VOC en de Engelse EIC, een sleutelrol speelden. Zij kwamen in contact met inheemse vorsten die een afwijkende diplomatie gebruikten. Binnen de huidige historiografie zijn beide ontwikkelingen, de diplomatie binnen én buiten Europa meestal los van elkaar onderzocht. Mogelijke interacties worden meestal niet meegenomen.

Deze scriptie onderzoekt de interactie tussen de Europese diplomatie en de bovengenoemde ontwikkelingen buiten Europa. De casus van Banten wordt hierbij als voorbeeld gebruikt. Banten was voor de VOC belangrijk vanwege de productie van peper. Om haar belangen veilig te stellen moest ze lokaal verdragen sluiten en zich aan de Aziatische politieke en diplomatieke conventies conformeren. Deze ervaringen namen de bewindhebbers ook mee in hun diplomatieke contacten binnen de Republiek. Aanvullend konden de ontwikkelingen buiten Europa een duidelijk effect hebben op de diplomatieke verhoudingen binnen Europa. In het geval van Banten zorgden tegengestelde handelsbelangen voor aanvullende spanningen tussen de Republiek en Engeland en hadden deze een effect op de diplomatie tussen beide landen. Deze studie stelt dat integratie tussen de Europese diplomatieke geschiedenis met global history noodzakelijk is. Scriptiebegeleider: dr. L. Kattenburg

De scriptie van Julius van der Poel (‘Dat men daervan gheen overblijffselen met allen meer en weet te vinden’, Universiteit Leiden) onderzoekt de onteigening en overdracht van katholieke goederen na 1572 in Holland.

In 1572 kwam het gewest Holland in opstand tegen de Spaanse koning Filips II en koos het Willem van Oranje als stadhouder. Deze gebeurtenis had grote negatieve gevolgen voor de katholieke geestelijkheid in dit gewest. De uitoefening van haar eredienst werd in diverse steden verboden en een grote groep verliet vanwege hun veiligheid het gewest. Een ander aspect was de onteigening van kerkelijke goederen maar ook het grondbezit dat aan diverse katholieke instellingen was gekoppeld. Diverse belanghebbenden, waaronder stadsbesturen, speelden een rol bij de herverdeling van deze kerkelijke goederen. Vanwege allerlei onduidelijkheden leidde dit echter al snel tot juridische twisten.

De scriptie onderzoekt dit proces voor de stad Leiden, die een bijzondere positie innam doordat een belangrijk deel van de inkomsten uit katholieke goederen bestemd was voor het onderhoud van de nieuwe calvinistische universiteit. De stadssecretaris Jan van Hout speelde een centrale rol bij het consolideren en legitimeren van het voormalige katholieke bezit door de gemeente. Een eerste stap was het achterhalen en veiligstellen van de bijbehorende eigendomsdocumenten, die zich bij katholieke instellingen bevonden en slechts met tegenzin aan het stadsbestuur werden overgedragen. Van Hout bracht deze stukken onder in een archief, ingericht om de stedelijke claims te onderbouwen en snel toegankelijk te maken. Dit archief droeg bij aan het succes van de Leidse aanspraken op katholieke goederen, al diende Van Houts werk ook zijn eigenbelang, zoals blijkt uit de verkoop van kloostergoederen tussen 1590 en 1593. De onteigening en overdracht van deze goederen versterkten uiteindelijk de positie van het bestuur van de nieuwe religie binnen de stad Leiden. Scriptiebegeleider: prof. dr. J.S. Pollmann

De jury bestaat uit: dr. A. Weststeijn (UU, Utrecht), dr. R. Baars (UL, Leiden), J. den Oudsten MA (RU, Nijmegen), dr. I. Huysman, voorzitter (Huygens Instituut-KNAW) en dr. L. de Jonge, secretaris (WU, Wageningen). 

Nadere informatie desgewenst bij de secretaris van de jury, tel. 0612317957 of leon.dejonge@wur.nl.

+31 6 52127327

info@vriendenvandewitt.nl