Samen houden wij de markante
staatsmannen en broers
Johan en Cornelis de Witt in ere

De genomineerde scripties 2021

De jury van de Uitgeverij Verloren/Johan de Witt-scriptieprijs voor geschiedenis heeft dit jaar drie scripties genomineerd uit de acht ingediende bachelor- en masterscripties. De prijs wordt in samenwerking met Uitgeverij Verloren en weekblad EW voor de zevende keer uitgereikt. 

De jury maakt de winnaar bekend op zaterdag 6 maart 2021 rond 15:30 uur tijdens een besloten bijeenkomst van de historische vereniging Vrienden van De Witt. Plaats: Uitgeverij Verloren, Torenlaan 25 in Hilversum. Deze bijeenkomst is vanwege de Covid-richtlijnen alleen toegankelijk voor genodigden. Andere belangstellenden kunnen de uitreiking volgen via een livestream (link op de uitreikdatum via homepage www.vriendenvandewitt.nl).

Programma

De drie genomineerden, alsmede de winnaar van de aanmoedigingsprijs, zullen worden geïnterviewd. Uitgeverij Verloren zal ingaan op recente historische publicaties. 

Prijzenpakket

De scripties dienen betrekking te hebben op de Republiek der Nederlanden in de 17e eeuw. De prijs voor de beste scriptie bestaat uit een bedrag van € 1.500,-, een boekenpakket en een jaarabonnement op weekblad EW. Ook is er een aanmoedigingsprijs van € 200,- voor de beste bachelor scriptie. EW publiceert een samenvatting van de winnende scriptie die ook is te vinden op de websites van weekblad EW en de vereniging Vrienden van De Witt. 

De drie genomineerde scripties 

Het patronagestelsel binnen het Staatse leger in de eerste helft van de 17e eeuw staat centraal in de masterscriptie van Geeske Bisschop  (‘Dat hi in d’ crijch moet leeven en sterven’, Universiteit Leiden). 

Het militaire patronagestelsel was de vroegmoderne variant van netwerken waarbij persoonlijke relaties werden gebruikt om wederzijdse voordelen te behalen. Binnen het Staatse leger speelden deze persoonlijke relaties een essentiële rol om carrière  te kunnen maken. De centrale speler binnen dit stelsel was in de eerste helft van de 17e eeuw Constantijn Huygens die als secretaris de correspondentie met stadhouder Frederik Hendrik beheerde. De vele overgeleverde brieven tonen aan dat deze belanghebbenden via Huygens hun wensen aan de stadhouder probeerden voor te leggen. De scriptie analyseert op basis van een selectie van brieven de aard en achtergronden van deze wensen. De brieven hadden meestal betrekking op benoemingen voor een openstaande hogere officiersfunctie of de keuze van de garnizoensstad voor het regiment. Familiebanden waren zeer belangrijk voor de aanbeveling van jonge zonen voor een positie in het leger. Het familiehoofd speelde hierin een cruciale rol waarbij deze een beroep deed op de traditie en de eer van de familie. Die rol werd na het wegvallen van de vader vaak door de moeder overgenomen. Een relatief groot deel van de correspondentie is afkomstig van vrouwen die pleitten voor een positie voor hun zonen of vragen om financiële ondersteuning na het overlijden van hun echtgenoten. Deze brieven hebben duidelijk een sterk emotioneel karakter. Het patronagestelsel werd ook door buitenlandse soldaten gebruikt om hun belangen binnen het Staatse leger te verdedigen.    
Scriptiebegeleiders: prof. dr. J.S. Pollmann en Dr. M.A. Ebben. 

De masterscriptie van Tessa de Boer (‘Amster diplomacy’, Universiteit Leiden) onderzoekt de rol van Amsterdam binnen het diplomatieke leven in de Republiek gedurende de 17e en 18e eeuw. 

Het belang van het internationale diplomatieke verkeer tussen staten nam gedurende de vroegmoderne periode sterk toe en vond vooral plaats aan het hof van het staatshoofd. De diplomatieke hoofdstad van de Republiek was Den Haag en officieel liepen deze contacten via de Staten-Generaal. De sterke mate van decentralisatie zorgde er echter voor dat ook andere staatkundige eenheden, zoals de afzonderlijke gewesten en steden, via diplomatieke kanalen probeerden hun eigen belangen in het buitenland te behartigen. De stad Amsterdam had vanwege haar economische macht en haar bijdrage in de staatsfinanciën een grote invloed op het buitenlandse beleid van de Republiek. Deze scriptie onderzoekt aan de hand van diverse deelvragen welke rol de stad Amsterdam binnen het diplomatieke verkeer had. De invloed van Amsterdam richtte zich met name op het veiligstellen van haar internationale handelsbelangen waarbij de stad gebruik maakte van de gezanten uit de Republiek, maar ook binnen de stadsgrenzen waar vele gezanten van buitenlandse mogendheden waren gehuisvest. Een aanzienlijk deel van de gezanten van de Republiek had connecties met de stad en rapporteerde tijdens hun verblijf in het buitenland regelmatig aan de Amsterdamse burgemeesters, terwijl buitenlandse gezanten binnen de Republiek de stad vanwege economische en financiële redenen bezochten. Den Haag en Amsterdam waren op diplomatiek terrein geen concurrenten maar vulden elkaar aan: Den Haag was de plaats van de officiële diplomatie tussen de staten, terwijl de praktische invulling aan deze samenwerking vooral in Amsterdam plaats vond. De gezanten van de buitenlandse mogendheden in Amsterdam waren voor het merendeel kooplieden die uit het land zelf of uit de Republiek afkomstig waren. Hun verblijf in de Republiek was meestal langdurig, waardoor ze ook meer binnen de samenleving waren ingeburgerd dan de beroepsdiplomaten die vaak maar enige jaren bleven en uit de hoogste maatschappelijke klasse afkomstig waren. De burgemeesters van Amsterdam hielden zich in het algemeen goed aan deze scheiding in de diplomatie, en in het enkele geval dat ze zich ook met de officiële diplomatie bezig hielden, leidde dat meteen tot een politiek conflict met de Staten-Generaal, zoals in 1684. Scriptiebegeleider: dr. M.A. Ebben

De masterscriptie van Anne-Rieke van Schaik (‘De kaart en ‘het gheschiet’ ', Universiteit van Amsterdam) analyseert twee kaarten van het beleg van Grave vervaardigd door Floris Balthasar. 

De uitgave van kaarten speelde een belangrijke rol in de nieuwsvoorziening tijdens de vroegmoderne periode. Deze kaarten waren niet alleen een geografische weergave van de werkelijkheid, maar beelden vaak ook een militaire gebeurtenis uit. Deze scriptie onderzocht op basis van nieuwe inzichten twee kaarten die betrekking hebben op de belegering en inname van Grave door de Staatse troepen van prins Maurits. De kaarten zijn vervaardigd door Floris Balthasar en verschenen in 1602 en 1610. De scriptie analyseert op welke wijze de twee kaarten het verhaal achter deze belegering vertellen en in welke context beide kaarten werden gepubliceerd. De aantoonbare verschillen tussen de kaarten kunnen voor een groot deel worden herleid tot het verschil in functies van beide uitgaven. De functie van de kaart uit 1602 was duidelijk de nieuwsvoorziening over deze actuele gebeurtenis en werd als een los exemplaar uitgegeven. De versie uit 1610 was onderdeel van een herdenkingsboek dat duidelijk een propagandistisch karakter had. De scriptie toont aan op welke wijze dit verschil in achtergrond en verschijningsvorm doorwerkte in de weergave van het beleg in beide kaarten.
Scriptiebegeleiders: prof. B. Vannieuwenhuyze en dr. P. Dijstelberge

De jury bestaat uit dr. P. Brandon (VU, Amsterdam), dr. G. de Bruin (UU, Utrecht), dr. M.A. Ebben (RUL, Leiden), dr. J. Koopmans (RUG, Groningen), dr. D. van der Linden (RUN, Nijmegen), dr. J. van Tol (UvA, Amsterdam), en mevr. dr. I. Huysman, voorzitter (Huygens ING-KNAW). Secretaris is dr. L. de Jonge (WU, Wageningen). 

Nadere informatie desgewenst bij de secretaris van de jury, tel. 0612317957 of leon.dejonge[at]wur.nl.

+31 6 52127327

info@vriendenvandewitt.nl