Samen houden wij de markante
staatsmannen en broers
Johan en Cornelis de Witt in ere

De genomineerde scripties 2019

De jury van de Elsevier Weekblad/Johan de Witt-scriptieprijs voor geschiedenis heeft dit jaar vier scripties genomineerd uit de dertien ingediende bachelor- en masterscripties. De prijs wordt voor de vijfde keer uitgereikt. De winnaar zal zaterdag 26 januari 2019 vanaf 14.30 uur tijdens een feestelijke bijeenkomst van de historische vereniging Vrienden van De Witt bekend worden gemaakt.

Plaats: sociëteit De Vereeniging aan de Mariaplaats 14 in Utrecht (vlakbij Centraal Station). Belangstellenden kunnen zich aanmelden bij info[at]vriendenvandewitt.nl. Toegang vrij.

De prijs voor de beste scriptie bestaat uit een bedrag van € 1.500, een boekenpakket en een jaarabonnement op Elsevier Weekblad. Ook is er een aanmoedigingsprijs van € 200 voor de beste bachelorscriptie. Een samenvatting van de winnende scriptie wordt gepubliceerd in Elsevier Weekblad en op de websites van Elsevier Weekblad en Vrienden van De Witt.

De vier genomineerde scripties

‘Defaming the Dutch’, de masterscriptie van Lars de Bruin (Universiteit van Leiden) onderzoekt de negatieve beeldvorming over de Republiek in Engeland tijdens de tweede helft van de zeventiende eeuw.

De commerciële rivaliteit tussen de Republiek en Engeland speelde een grote rol in de internationale verhoudingen tijdens de tweede helft van de zeventiende eeuw en leidde tot drie oorlogen tussen beide landen. Deze rivaliteit leidde in Engeland automatisch tot een negatief beeld over de Nederlander dat zich openbaarde in de pamfletten die vooral ten tijde van de oorlogen verschenen. Het negatieve beeld appelleerde aan slechte karaktereigenschappen zoals trots, het streven naar eigenbelang, laagheid, saaiheid en drankzucht, die aan de Nederlanders werden toegeschreven. De oorsprong van dit negatieve beeld lag reeds in de periode van voor de oorlog en was gebaseerd op de geografische omstandigheden van de Republiek (laag bij de grond) en de moord op Engelse kooplieden op Ambon in het begin van de zeventiende eeuw. Het anti-Hollandse beeld vertoonde duidelijke gelijkenis met de Zwarte Legende over het Spaanse rijk, die waarschijnlijk als voorbeeld voor de beeldvorming heeft gediend. Dit diepgewortelde beeld werd tijdens de oorlog weer uit de kast gehaald om de publieke opinie te versterken. De publicatie van dit beeld was echter niet in staat om de publieke opinie te beïnvloeden zoals bleek tijdens de Derde Engelse oorlog. De Glorious Revolution in 1688 zorgde ervoor dat het negatieve beeld over de Nederlanders enigszins positief werd bijgesteld. Sommige uitdrukkingen in de Engelse taal getuigen echter nog altijd van anti-Hollandse sentimenten uit deze periode.  
Scriptiebegeleider was prof. dr. R.P. Fagel.  

De masterscriptie van Marieke van Egeraat ( ‘Weeklies, writing, and whispers’, Universiteit Nijmegen) doet onderzoek naar de verschillende vormen van nieuwsvoorziening in Gelderland gedurende het begin van de zeventiende eeuw.

De eerste gedrukte periodiek kranten verschenen in het begin van de zeventiende eeuw. Deze kranten waren echter in tegenstelling tot de gangbare mening niet een vervanging maar een aanvulling op de traditionele wijze van informatievoorziening, zoals blijkt uit een analyse van de Arnhemsche courant, de persoonlijke correspondentie van regent Arent de Bye en de dagboeken van de onderwijzer David Beck. De traditionele vorm was gebaseerd op persoonlijke communicatie via correspondentie of mondelinge mededelingen in de private of openbare ruimte. De kritische analyse van de correspondentie en het dagboek geeft inzicht in de wijze waarop betrokkenen aan hun informatie kwamen en deze beoordeelden. Een belangrijke conclusie is dat de geloofwaardigheid van nieuwsvoorziening niet afhankelijk was van de verschijningsvorm maar van de betrouwbaarheid van de bron. Kranten hadden als nadeel dat ze anoniem waren, waardoor de geloofwaardigheid van brieven en mondelinge mededelingen van een betrouwbare bron door de ontvanger hoger werden ingeschat. De beschikking over persoonlijke informatie was positief gecorreleerd met de sociale status van de ontvanger. Personen met een groot sociaal netwerk, zoals De Bye, baseerden hun oordeel op de in hun ogen meer geloofwaardige persoonlijke informatie. Betrokkenheid ten aanzien van een specifiek onderwerp had een duidelijk effect op de behoefte aan informatie hierover. Uit de onderzochte gevallen bleek dat deze betrokkenheid persoonlijk, religieus-getint of beroepsmatig kon zijn.  
Scriptiebegeleider was dr. J. Rosendaal. 

De wetenschappelijke en bestuurlijke activiteiten van de Amsterdamse regent Johannes Hudde staan centraal in de masterscriptie van Theo de Jong (‘The most versatile scientist, regent, and VOC director of the Dutch Golden Age: Johannes Hudde (1628 – 1704)’, Universiteit van Utrecht).

Johannes Hudde werd geboren als jongste zoon van een Amsterdamse regenten familie. Hij genoot een goede universitaire opleiding in Leiden en ontwikkelde zich tot een veelzijdig wetenschapper in de wiskunde en de natuurwetenschappen. Een speling van het lot zorgde er echter al snel voor dat Hudde zijn wetenschappelijke carrière moest inwisselen voor het uitvoeren van bestuurlijke functies binnen zijn geboortestad en bij de VOC gedurende de tweede helft van de zeventiende eeuw. Die wisseling zorgde ervoor dat de persoonlijkheid van Hudde twee kanten kende: een wetenschappelijke en een bestuurlijke kant. Hij was een Cartesiaanse wetenschapper die zich ervan bewust was dat de nieuwe natuurfilosofie en filologie leidden tot een ondermijning van de autoriteit van de bijbel en daardoor in botsing kwamen met het orthodoxe calvinisme. Hudde koos vanwege zijn publieke functies openlijk voor het orthodoxe calvinisme. Achter de schermen beschermde hij echter de controversiële schrijvers, zodat hun werken ondanks een verbod van de Gereformeerde Kerk toch konden worden gepubliceerd. Het verbinden van wetenschappelijke theorie en de praktische toepassing was een belangrijke drijfveer tijdens zijn bestuurlijke loopbaan. Zijn wetenschappelijke achtergrond stelde hem in staat om als burgermeester van Amsterdam en bestuurder bij de VOC technologische innovaties te beoordelen en te stimuleren, wat echter niet altijd tot het gewenste resultaat leidde.
Scriptiebegeleiders waren prof. dr. R. Vermij en Dr. D. Baneke. 

De masterscriptie van Lidewij Nissen (‘A matter of Life and Death’, Universiteit Nijmegen) onderzoekt de relatie tussen begrafeniscultuur en de opbouw van een identiteit voor het huis Nassau-Dietz gedurende de zeventiende eeuw.

Het huis Nassau-Dietz is een zijtak van het huis Oranje-Nassau en leverde de Stadhouders van de Noordelijke provincies met Friesland als thuisbasis. Deze stadhouders stonden gedurende de zeventiende eeuw in de politieke schaduw van de stadhouders afkomstig uit het huis Oranje-Nassau. Het huis Nassau-Dietz had behoefte om haar positie te bevestigen en gebruikte diverse sterfgevallen om haar imago te verbeteren. Een uitgebreide analyse van diverse testamenten, brieven, begrafenis procedures en gedichten betreffende deze sterfgevallen toont aan dat het huis Nassau-Dietz zich vooral profileerde als Friese stadhouders. Het stadhouderschap was de politieke functie waaraan zij hun machtspositie binnen de Republiek ontleenden. Hun binding met het gewest Friesland komt constant naar voren in de documenten zoals de begrafenisprocedures. Hiermee appelleerden ze doelbewust aan het nationale gevoel van de Friese bevolking. De Duitse achtergrond en bezittingen speelden daarbij geen wezenlijke rol. Andere aspecten waar de Friese stadhouders zich mee wensten te profileren waren hun connecties met andere Europese vorstenhuizen, hun familiegeschiedenis beginnend bij Willem Lodewijk, hun militaire verdiensten en persoonlijke offers tijdens de Tachtigjarige Oorlog en hun toewijding aan de Republiek. Deze aspecten werden tijdens de begrafenisceremonies breed uitgemeten. De calvinistische achtergrond en de piëteit van het huis Nassau-Dietz kwamen opvallend minder uitgesproken naar voren in de bestudeerde documenten. De religieuze verdeeldheid binnen de Republiek heeft hierin mogelijk een rol gespeeld. 
Scriptiebegeleider was dr. D. Raeymaekers.

Spelregels voor deelname

In aanmerking komen zowel bachelor- als master-scripties (in het Nederlands of Engels) die vóór 1 september 2018 succesvol zijn afgerond en niet ouder zijn dan drie jaar. 

Een jury onder voorzitterschap van mevr. dr. E.C.M. Huysman, voorzitter (Huygens ING-KNAW) beoordeelt de ingezonden scripties op basis van een ranking. De jury bestaat daarnaast uit dr. G. de Bruin (UU, Utrecht), prof. dr. L.E. Jensen (RUN, Nijmegen), dr. J.W. Koopmans (RUG, Groningen), dr. M.A. Ebben (RUL, Leiden), dr. P. Brandon (VU, Amsterdam), dr. A. Nobel (UvA, Amsterdam) en secretaris dr. L.H. de Jonge (WU, Wageningen).

Vragen over de prijs aan info[at]vriendenvandewitt.nl of aan de secretaris van de jury, tel. 0612317957.

+31 6 52127327

info@vriendenvandewitt.nl